Vervoeging van smeden

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik smeed
    • jij smeedt
    • hij/zij/het smeedt
    • wij smeden
    • jullie smeden
    • zij smeden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik smeedde
    • jij smeedde
    • hij/zij/het smeedde
    • wij smeedden
    • jullie smeedden
    • zij smeedden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesmeed
    • jij hebt gesmeed
    • hij/zij/het heeft gesmeed
    • wij hebben gesmeed
    • jullie hebben gesmeed
    • zij hebben gesmeed
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesmeed
    • jij had gesmeed
    • hij/zij/het had gesmeed
    • wij hadden gesmeed
    • jullie hadden gesmeed
    • zij hadden gesmeed
  • Toekomende tijd I

    • ik zal smeden
    • jij zult smeden
    • hij/zij/het zal smeden
    • wij zullen smeden
    • jullie zullen smeden
    • zij zullen smeden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesmeed hebben
    • jij zult gesmeed hebben
    • hij/zij/het zal gesmeed hebben
    • wij zullen gesmeed hebben
    • jullie zullen gesmeed hebben
    • zij zullen gesmeed hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou smeden
    • jij zou smeden
    • hij/zij/het zou smeden
    • wij zouden smeden
    • jullie zouden smeden
    • zij zouden smeden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesmeed
    • jij zou hebben gesmeed
    • hij/zij/het zou hebben gesmeed
    • wij zouden hebben gesmeed
    • jullie zouden hebben gesmeed
    • zij zouden hebben gesmeed
  • Imperatief

    • jij smeed
    • jullie smeedt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van smeden