Vervoeging van speculeren

Onbepaalde wijs (infinitief): speculeren
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik speculeer
    • jij speculeert
    • hij/zij/het speculeert
    • wij speculeren
    • jullie speculeren
    • zij speculeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik speculeerde
    • jij speculeerde
    • hij/zij/het speculeerde
    • wij speculeerden
    • jullie speculeerden
    • zij speculeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gespeculeerd
    • jij hebt gespeculeerd
    • hij/zij/het heeft gespeculeerd
    • wij hebben gespeculeerd
    • jullie hebben gespeculeerd
    • zij hebben gespeculeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gespeculeerd
    • jij had gespeculeerd
    • hij/zij/het had gespeculeerd
    • wij hadden gespeculeerd
    • jullie hadden gespeculeerd
    • zij hadden gespeculeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal speculeren
    • jij zult speculeren
    • hij/zij/het zal speculeren
    • wij zullen speculeren
    • jullie zullen speculeren
    • zij zullen speculeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gespeculeerd hebben
    • jij zult gespeculeerd hebben
    • hij/zij/het zal gespeculeerd hebben
    • wij zullen gespeculeerd hebben
    • jullie zullen gespeculeerd hebben
    • zij zullen gespeculeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou speculeren
    • jij zou speculeren
    • hij/zij/het zou speculeren
    • wij zouden speculeren
    • jullie zouden speculeren
    • zij zouden speculeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gespeculeerd
    • jij zou hebben gespeculeerd
    • hij/zij/het zou hebben gespeculeerd
    • wij zouden hebben gespeculeerd
    • jullie zouden hebben gespeculeerd
    • zij zouden hebben gespeculeerd
  • Imperatief

    • jij speculeer
    • jullie speculeert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van speculeren