Vervoeging van spelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik speel
    • jij speelt
    • hij/zij/het speelt
    • wij spelen
    • jullie spelen
    • zij spelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik speelde
    • jij speelde
    • hij/zij/het speelde
    • wij speelden
    • jullie speelden
    • zij speelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gespeeld
    • jij hebt gespeeld
    • hij/zij/het heeft gespeeld
    • wij hebben gespeeld
    • jullie hebben gespeeld
    • zij hebben gespeeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gespeeld
    • jij had gespeeld
    • hij/zij/het had gespeeld
    • wij hadden gespeeld
    • jullie hadden gespeeld
    • zij hadden gespeeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal spelen
    • jij zult spelen
    • hij/zij/het zal spelen
    • wij zullen spelen
    • jullie zullen spelen
    • zij zullen spelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gespeeld hebben
    • jij zult gespeeld hebben
    • hij/zij/het zal gespeeld hebben
    • wij zullen gespeeld hebben
    • jullie zullen gespeeld hebben
    • zij zullen gespeeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou spelen
    • jij zou spelen
    • hij/zij/het zou spelen
    • wij zouden spelen
    • jullie zouden spelen
    • zij zouden spelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gespeeld
    • jij zou hebben gespeeld
    • hij/zij/het zou hebben gespeeld
    • wij zouden hebben gespeeld
    • jullie zouden hebben gespeeld
    • zij zouden hebben gespeeld
  • Imperatief

    • jij speel
    • jullie speelt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van spelen