Vervoeging van stationeren

Onbepaalde wijs (infinitief): stationeren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stationeer
    • jij stationeert
    • hij/zij/het stationeert
    • wij stationeren
    • jullie stationeren
    • zij stationeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stationeerde
    • jij stationeerde
    • hij/zij/het stationeerde
    • wij stationeerden
    • jullie stationeerden
    • zij stationeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestationeerd
    • jij hebt gestationeerd
    • hij/zij/het heeft gestationeerd
    • wij hebben gestationeerd
    • jullie hebben gestationeerd
    • zij hebben gestationeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestationeerd
    • jij had gestationeerd
    • hij/zij/het had gestationeerd
    • wij hadden gestationeerd
    • jullie hadden gestationeerd
    • zij hadden gestationeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stationeren
    • jij zult stationeren
    • hij/zij/het zal stationeren
    • wij zullen stationeren
    • jullie zullen stationeren
    • zij zullen stationeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestationeerd hebben
    • jij zult gestationeerd hebben
    • hij/zij/het zal gestationeerd hebben
    • wij zullen gestationeerd hebben
    • jullie zullen gestationeerd hebben
    • zij zullen gestationeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stationeren
    • jij zou stationeren
    • hij/zij/het zou stationeren
    • wij zouden stationeren
    • jullie zouden stationeren
    • zij zouden stationeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestationeerd
    • jij zou hebben gestationeerd
    • hij/zij/het zou hebben gestationeerd
    • wij zouden hebben gestationeerd
    • jullie zouden hebben gestationeerd
    • zij zouden hebben gestationeerd
  • Imperatief

    • jij stationeer
    • jullie stationeert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van stationeren