Vervoeging van stemmen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stem
    • jij stemt
    • hij/zij/het stemt
    • wij stemmen
    • jullie stemmen
    • zij stemmen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stemde
    • jij stemde
    • hij/zij/het stemde
    • wij stemden
    • jullie stemden
    • zij stemden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestemd
    • jij hebt gestemd
    • hij/zij/het heeft gestemd
    • wij hebben gestemd
    • jullie hebben gestemd
    • zij hebben gestemd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestemd
    • jij had gestemd
    • hij/zij/het had gestemd
    • wij hadden gestemd
    • jullie hadden gestemd
    • zij hadden gestemd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stemmen
    • jij zult stemmen
    • hij/zij/het zal stemmen
    • wij zullen stemmen
    • jullie zullen stemmen
    • zij zullen stemmen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestemd hebben
    • jij zult gestemd hebben
    • hij/zij/het zal gestemd hebben
    • wij zullen gestemd hebben
    • jullie zullen gestemd hebben
    • zij zullen gestemd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stemmen
    • jij zou stemmen
    • hij/zij/het zou stemmen
    • wij zouden stemmen
    • jullie zouden stemmen
    • zij zouden stemmen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestemd
    • jij zou hebben gestemd
    • hij/zij/het zou hebben gestemd
    • wij zouden hebben gestemd
    • jullie zouden hebben gestemd
    • zij zouden hebben gestemd
  • Imperatief

    • jij stem
    • jullie stemt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van stemmen