Vervoeging van stukadoren

Onbepaalde wijs (infinitief): stukadoren
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stukadoor
    • jij stukadoort
    • hij/zij/het stukadoort
    • wij stukadoren
    • jullie stukadoren
    • zij stukadoren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stukadoorde
    • jij stukadoorde
    • hij/zij/het stukadoorde
    • wij stukadoorden
    • jullie stukadoorden
    • zij stukadoorden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestukadoord
    • jij hebt gestukadoord
    • hij/zij/het heeft gestukadoord
    • wij hebben gestukadoord
    • jullie hebben gestukadoord
    • zij hebben gestukadoord
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestukadoord
    • jij had gestukadoord
    • hij/zij/het had gestukadoord
    • wij hadden gestukadoord
    • jullie hadden gestukadoord
    • zij hadden gestukadoord
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stukadoren
    • jij zult stukadoren
    • hij/zij/het zal stukadoren
    • wij zullen stukadoren
    • jullie zullen stukadoren
    • zij zullen stukadoren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestukadoord hebben
    • jij zult gestukadoord hebben
    • hij/zij/het zal gestukadoord hebben
    • wij zullen gestukadoord hebben
    • jullie zullen gestukadoord hebben
    • zij zullen gestukadoord hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stukadoren
    • jij zou stukadoren
    • hij/zij/het zou stukadoren
    • wij zouden stukadoren
    • jullie zouden stukadoren
    • zij zouden stukadoren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestukadoord
    • jij zou hebben gestukadoord
    • hij/zij/het zou hebben gestukadoord
    • wij zouden hebben gestukadoord
    • jullie zouden hebben gestukadoord
    • zij zouden hebben gestukadoord
  • Imperatief

    • jij stukadoor
    • jullie stukadoort

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van stukadoren