Vervoeging van symboliseren

Onbepaalde wijs (infinitief): symboliseren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik symboliseer
    • jij symboliseert
    • hij/zij/het symboliseert
    • wij symboliseren
    • jullie symboliseren
    • zij symboliseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik symboliseerde
    • jij symboliseerde
    • hij/zij/het symboliseerde
    • wij symboliseerden
    • jullie symboliseerden
    • zij symboliseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesymboliseerd
    • jij hebt gesymboliseerd
    • hij/zij/het heeft gesymboliseerd
    • wij hebben gesymboliseerd
    • jullie hebben gesymboliseerd
    • zij hebben gesymboliseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesymboliseerd
    • jij had gesymboliseerd
    • hij/zij/het had gesymboliseerd
    • wij hadden gesymboliseerd
    • jullie hadden gesymboliseerd
    • zij hadden gesymboliseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal symboliseren
    • jij zult symboliseren
    • hij/zij/het zal symboliseren
    • wij zullen symboliseren
    • jullie zullen symboliseren
    • zij zullen symboliseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesymboliseerd hebben
    • jij zult gesymboliseerd hebben
    • hij/zij/het zal gesymboliseerd hebben
    • wij zullen gesymboliseerd hebben
    • jullie zullen gesymboliseerd hebben
    • zij zullen gesymboliseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou symboliseren
    • jij zou symboliseren
    • hij/zij/het zou symboliseren
    • wij zouden symboliseren
    • jullie zouden symboliseren
    • zij zouden symboliseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesymboliseerd
    • jij zou hebben gesymboliseerd
    • hij/zij/het zou hebben gesymboliseerd
    • wij zouden hebben gesymboliseerd
    • jullie zouden hebben gesymboliseerd
    • zij zouden hebben gesymboliseerd
  • Imperatief

    • jij symboliseer
    • jullie symboliseert