Vervoeging van terrasseren

Onbepaalde wijs (infinitief): terrasseren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik terrasseer
    • jij terrasseert
    • hij/zij/het terrasseert
    • wij terrasseren
    • jullie terrasseren
    • zij terrasseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik terrasseerde
    • jij terrasseerde
    • hij/zij/het terrasseerde
    • wij terrasseerden
    • jullie terrasseerden
    • zij terrasseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geterrasseerd
    • jij hebt geterrasseerd
    • hij/zij/het heeft geterrasseerd
    • wij hebben geterrasseerd
    • jullie hebben geterrasseerd
    • zij hebben geterrasseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geterrasseerd
    • jij had geterrasseerd
    • hij/zij/het had geterrasseerd
    • wij hadden geterrasseerd
    • jullie hadden geterrasseerd
    • zij hadden geterrasseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal terrasseren
    • jij zult terrasseren
    • hij/zij/het zal terrasseren
    • wij zullen terrasseren
    • jullie zullen terrasseren
    • zij zullen terrasseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geterrasseerd hebben
    • jij zult geterrasseerd hebben
    • hij/zij/het zal geterrasseerd hebben
    • wij zullen geterrasseerd hebben
    • jullie zullen geterrasseerd hebben
    • zij zullen geterrasseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou terrasseren
    • jij zou terrasseren
    • hij/zij/het zou terrasseren
    • wij zouden terrasseren
    • jullie zouden terrasseren
    • zij zouden terrasseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geterrasseerd
    • jij zou hebben geterrasseerd
    • hij/zij/het zou hebben geterrasseerd
    • wij zouden hebben geterrasseerd
    • jullie zouden hebben geterrasseerd
    • zij zouden hebben geterrasseerd
  • Imperatief

    • jij terrasseer
    • jullie terrasseert