Vervoeging van terugbrengen

Onbepaalde wijs (infinitief): terugbrengen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik breng terug
    • jij brengt terug
    • hij/zij/het brengt terug
    • wij brengen terug
    • jullie brengen terug
    • zij brengen terug
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bracht terug
    • jij bracht terug
    • hij/zij/het bracht terug
    • wij brachten terug
    • jullie brachten terug
    • zij brachten terug
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb teruggebracht
    • jij hebt teruggebracht
    • hij/zij/het heeft teruggebracht
    • wij hebben teruggebracht
    • jullie hebben teruggebracht
    • zij hebben teruggebracht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had teruggebracht
    • jij had teruggebracht
    • hij/zij/het had teruggebracht
    • wij hadden teruggebracht
    • jullie hadden teruggebracht
    • zij hadden teruggebracht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal terugbrengen
    • jij zult terugbrengen
    • hij/zij/het zal terugbrengen
    • wij zullen terugbrengen
    • jullie zullen terugbrengen
    • zij zullen terugbrengen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal teruggebracht hebben
    • jij zult teruggebracht hebben
    • hij/zij/het zal teruggebracht hebben
    • wij zullen teruggebracht hebben
    • jullie zullen teruggebracht hebben
    • zij zullen teruggebracht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou terugbrengen
    • jij zou terugbrengen
    • hij/zij/het zou terugbrengen
    • wij zouden terugbrengen
    • jullie zouden terugbrengen
    • zij zouden terugbrengen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben teruggebracht
    • jij zou hebben teruggebracht
    • hij/zij/het zou hebben teruggebracht
    • wij zouden hebben teruggebracht
    • jullie zouden hebben teruggebracht
    • zij zouden hebben teruggebracht
  • Imperatief

    • jij breng terug
    • jullie brengt terug

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van terugbrengen