Vervoeging van terugfluiten

Onbepaalde wijs (infinitief): terugfluiten

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik fluit terug
    • jij fluit terug
    • hij/zij/het fluit terug
    • wij fluiten terug
    • jullie fluiten terug
    • zij fluiten terug
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik floot terug
    • jij floot terug
    • hij/zij/het floot terug
    • wij floten terug
    • jullie floten terug
    • zij floten terug
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb teruggefloten
    • jij hebt teruggefloten
    • hij/zij/het heeft teruggefloten
    • wij hebben teruggefloten
    • jullie hebben teruggefloten
    • zij hebben teruggefloten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had teruggefloten
    • jij had teruggefloten
    • hij/zij/het had teruggefloten
    • wij hadden teruggefloten
    • jullie hadden teruggefloten
    • zij hadden teruggefloten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal terugfluiten
    • jij zult terugfluiten
    • hij/zij/het zal terugfluiten
    • wij zullen terugfluiten
    • jullie zullen terugfluiten
    • zij zullen terugfluiten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal teruggefloten hebben
    • jij zult teruggefloten hebben
    • hij/zij/het zal teruggefloten hebben
    • wij zullen teruggefloten hebben
    • jullie zullen teruggefloten hebben
    • zij zullen teruggefloten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou terugfluiten
    • jij zou terugfluiten
    • hij/zij/het zou terugfluiten
    • wij zouden terugfluiten
    • jullie zouden terugfluiten
    • zij zouden terugfluiten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben teruggefloten
    • jij zou hebben teruggefloten
    • hij/zij/het zou hebben teruggefloten
    • wij zouden hebben teruggefloten
    • jullie zouden hebben teruggefloten
    • zij zouden hebben teruggefloten
  • Imperatief

    • jij fluit terug
    • jullie fluit terug

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van terugfluiten