Vervoeging van transporteren

Onbepaalde wijs (infinitief): transporteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik transporteer
    • jij transporteert
    • hij/zij/het transporteert
    • wij transporteren
    • jullie transporteren
    • zij transporteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik transporteerde
    • jij transporteerde
    • hij/zij/het transporteerde
    • wij transporteerden
    • jullie transporteerden
    • zij transporteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb getransporteerd
    • jij hebt getransporteerd
    • hij/zij/het heeft getransporteerd
    • wij hebben getransporteerd
    • jullie hebben getransporteerd
    • zij hebben getransporteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had getransporteerd
    • jij had getransporteerd
    • hij/zij/het had getransporteerd
    • wij hadden getransporteerd
    • jullie hadden getransporteerd
    • zij hadden getransporteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal transporteren
    • jij zult transporteren
    • hij/zij/het zal transporteren
    • wij zullen transporteren
    • jullie zullen transporteren
    • zij zullen transporteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal getransporteerd hebben
    • jij zult getransporteerd hebben
    • hij/zij/het zal getransporteerd hebben
    • wij zullen getransporteerd hebben
    • jullie zullen getransporteerd hebben
    • zij zullen getransporteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou transporteren
    • jij zou transporteren
    • hij/zij/het zou transporteren
    • wij zouden transporteren
    • jullie zouden transporteren
    • zij zouden transporteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben getransporteerd
    • jij zou hebben getransporteerd
    • hij/zij/het zou hebben getransporteerd
    • wij zouden hebben getransporteerd
    • jullie zouden hebben getransporteerd
    • zij zouden hebben getransporteerd
  • Imperatief

    • jij transporteer
    • jullie transporteert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van transporteren