Vervoeging van trommelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik trommel
    • jij trommelt
    • hij/zij/het trommelt
    • wij trommelen
    • jullie trommelen
    • zij trommelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik trommelde
    • jij trommelde
    • hij/zij/het trommelde
    • wij trommelden
    • jullie trommelden
    • zij trommelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb getrommeld
    • jij hebt getrommeld
    • hij/zij/het heeft getrommeld
    • wij hebben getrommeld
    • jullie hebben getrommeld
    • zij hebben getrommeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had getrommeld
    • jij had getrommeld
    • hij/zij/het had getrommeld
    • wij hadden getrommeld
    • jullie hadden getrommeld
    • zij hadden getrommeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal trommelen
    • jij zult trommelen
    • hij/zij/het zal trommelen
    • wij zullen trommelen
    • jullie zullen trommelen
    • zij zullen trommelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal getrommeld hebben
    • jij zult getrommeld hebben
    • hij/zij/het zal getrommeld hebben
    • wij zullen getrommeld hebben
    • jullie zullen getrommeld hebben
    • zij zullen getrommeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou trommelen
    • jij zou trommelen
    • hij/zij/het zou trommelen
    • wij zouden trommelen
    • jullie zouden trommelen
    • zij zouden trommelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben getrommeld
    • jij zou hebben getrommeld
    • hij/zij/het zou hebben getrommeld
    • wij zouden hebben getrommeld
    • jullie zouden hebben getrommeld
    • zij zouden hebben getrommeld
  • Imperatief

    • jij trommel
    • jullie trommelt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van trommelen