Vervoeging van uiteengaan

Onbepaalde wijs (infinitief): uiteengaan


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het gaat uiteen
    • zij gaan uiteen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het ging uiteen
    • zij gingen uiteen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het is uiteengegaan
    • zij zijn uiteengegaan
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het was uiteengegaan
    • zij waren uiteengegaan
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal uiteengaan
    • zij zult uiteengaan
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal uiteengegaan zijn
    • zij zult uiteengegaan zijn
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal uiteengaan
    • zij zullen uiteengaan
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal zijn uiteengegaan
    • zij zullen zijn uiteengegaan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van uiteengaan