Vervoeging van uitkomen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kom uit
    • jij komt uit
    • hij/zij/het komt uit
    • wij komen uit
    • jullie komen uit
    • zij komen uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kwam uit
    • jij kwam uit
    • hij/zij/het kwam uit
    • wij kwamen uit
    • jullie kwamen uit
    • zij kwamen uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben uitgekomen
    • jij bent uitgekomen
    • hij/zij/het is uitgekomen
    • wij zijn uitgekomen
    • jullie zijn uitgekomen
    • zij zijn uitgekomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was uitgekomen
    • jij was uitgekomen
    • hij/zij/het was uitgekomen
    • wij waren uitgekomen
    • jullie waren uitgekomen
    • zij waren uitgekomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitkomen
    • jij zult uitkomen
    • hij/zij/het zal uitkomen
    • wij zullen uitkomen
    • jullie zullen uitkomen
    • zij zullen uitkomen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgekomen zijn
    • jij zult uitgekomen zijn
    • hij/zij/het zal uitgekomen zijn
    • wij zullen uitgekomen zijn
    • jullie zullen uitgekomen zijn
    • zij zullen uitgekomen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou uitkomen
    • jij zou uitkomen
    • hij/zij/het zou uitkomen
    • wij zouden uitkomen
    • jullie zouden uitkomen
    • zij zouden uitkomen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn uitgekomen
    • jij zou zijn uitgekomen
    • hij/zij/het zou zijn uitgekomen
    • wij zouden zijn uitgekomen
    • jullie zouden zijn uitgekomen
    • zij zouden zijn uitgekomen
  • Imperatief

    • jij kom uit
    • jullie komt uit

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van uitkomen