Vervoeging van uitrazen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik raas uit
    • jij raast uit
    • hij/zij/het raast uit
    • wij razen uit
    • jullie razen uit
    • zij razen uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik raasde uit
    • jij raasde uit
    • hij/zij/het raasde uit
    • wij raasden uit
    • jullie raasden uit
    • zij raasden uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben uitgeraasd
    • jij bent uitgeraasd
    • hij/zij/het is uitgeraasd
    • wij zijn uitgeraasd
    • jullie zijn uitgeraasd
    • zij zijn uitgeraasd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was uitgeraasd
    • jij was uitgeraasd
    • hij/zij/het was uitgeraasd
    • wij waren uitgeraasd
    • jullie waren uitgeraasd
    • zij waren uitgeraasd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitrazen
    • jij zult uitrazen
    • hij/zij/het zal uitrazen
    • wij zullen uitrazen
    • jullie zullen uitrazen
    • zij zullen uitrazen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgeraasd zijn
    • jij zult uitgeraasd zijn
    • hij/zij/het zal uitgeraasd zijn
    • wij zullen uitgeraasd zijn
    • jullie zullen uitgeraasd zijn
    • zij zullen uitgeraasd zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou uitrazen
    • jij zou uitrazen
    • hij/zij/het zou uitrazen
    • wij zouden uitrazen
    • jullie zouden uitrazen
    • zij zouden uitrazen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn uitgeraasd
    • jij zou zijn uitgeraasd
    • hij/zij/het zou zijn uitgeraasd
    • wij zouden zijn uitgeraasd
    • jullie zouden zijn uitgeraasd
    • zij zouden zijn uitgeraasd
  • Imperatief

    • jij raas uit
    • jullie raast uit

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van uitrazen