Vervoeging van valideren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik valideer
    • jij valideert
    • hij/zij/het valideert
    • wij valideren
    • jullie valideren
    • zij valideren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik valideerde
    • jij valideerde
    • hij/zij/het valideerde
    • wij valideerden
    • jullie valideerden
    • zij valideerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gevalideerd
    • jij hebt gevalideerd
    • hij/zij/het heeft gevalideerd
    • wij hebben gevalideerd
    • jullie hebben gevalideerd
    • zij hebben gevalideerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gevalideerd
    • jij had gevalideerd
    • hij/zij/het had gevalideerd
    • wij hadden gevalideerd
    • jullie hadden gevalideerd
    • zij hadden gevalideerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal valideren
    • jij zult valideren
    • hij/zij/het zal valideren
    • wij zullen valideren
    • jullie zullen valideren
    • zij zullen valideren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gevalideerd hebben
    • jij zult gevalideerd hebben
    • hij/zij/het zal gevalideerd hebben
    • wij zullen gevalideerd hebben
    • jullie zullen gevalideerd hebben
    • zij zullen gevalideerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou valideren
    • jij zou valideren
    • hij/zij/het zou valideren
    • wij zouden valideren
    • jullie zouden valideren
    • zij zouden valideren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gevalideerd
    • jij zou hebben gevalideerd
    • hij/zij/het zou hebben gevalideerd
    • wij zouden hebben gevalideerd
    • jullie zouden hebben gevalideerd
    • zij zouden hebben gevalideerd
  • Imperatief

    • jij valideer
    • jullie valideert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van valideren