Vervoeging van verdikken

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verdik
    • jij verdikt
    • hij/zij/het verdikt
    • wij verdikken
    • jullie verdikken
    • zij verdikken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verdikte
    • jij verdikte
    • hij/zij/het verdikte
    • wij verdikten
    • jullie verdikten
    • zij verdikten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verdikt
    • jij hebt verdikt
    • hij/zij/het heeft verdikt
    • wij hebben verdikt
    • jullie hebben verdikt
    • zij hebben verdikt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verdikt
    • jij had verdikt
    • hij/zij/het had verdikt
    • wij hadden verdikt
    • jullie hadden verdikt
    • zij hadden verdikt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verdikken
    • jij zult verdikken
    • hij/zij/het zal verdikken
    • wij zullen verdikken
    • jullie zullen verdikken
    • zij zullen verdikken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verdikt hebben
    • jij zult verdikt hebben
    • hij/zij/het zal verdikt hebben
    • wij zullen verdikt hebben
    • jullie zullen verdikt hebben
    • zij zullen verdikt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verdikken
    • jij zou verdikken
    • hij/zij/het zou verdikken
    • wij zouden verdikken
    • jullie zouden verdikken
    • zij zouden verdikken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verdikt
    • jij zou hebben verdikt
    • hij/zij/het zou hebben verdikt
    • wij zouden hebben verdikt
    • jullie zouden hebben verdikt
    • zij zouden hebben verdikt
  • Imperatief

    • jij verdik
    • jullie verdikt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verdikken