Vervoeging van verdrijven

Onbepaalde wijs (infinitief): verdrijven


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verdrijf
    • jij verdrijft
    • hij/zij/het verdrijft
    • wij verdrijven
    • jullie verdrijven
    • zij verdrijven
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verdreef
    • jij verdreef
    • hij/zij/het verdreef
    • wij verdreven
    • jullie verdreven
    • zij verdreven
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verdreven
    • jij hebt verdreven
    • hij/zij/het heeft verdreven
    • wij hebben verdreven
    • jullie hebben verdreven
    • zij hebben verdreven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verdreven
    • jij had verdreven
    • hij/zij/het had verdreven
    • wij hadden verdreven
    • jullie hadden verdreven
    • zij hadden verdreven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verdrijven
    • jij zult verdrijven
    • hij/zij/het zal verdrijven
    • wij zullen verdrijven
    • jullie zullen verdrijven
    • zij zullen verdrijven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verdreven hebben
    • jij zult verdreven hebben
    • hij/zij/het zal verdreven hebben
    • wij zullen verdreven hebben
    • jullie zullen verdreven hebben
    • zij zullen verdreven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verdrijven
    • jij zou verdrijven
    • hij/zij/het zou verdrijven
    • wij zouden verdrijven
    • jullie zouden verdrijven
    • zij zouden verdrijven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verdreven
    • jij zou hebben verdreven
    • hij/zij/het zou hebben verdreven
    • wij zouden hebben verdreven
    • jullie zouden hebben verdreven
    • zij zouden hebben verdreven
  • Imperatief

    • jij verdrijf
    • jullie verdrijft

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verdrijven