Vervoeging van verhogen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verhoog
    • jij verhoogt
    • hij/zij/het verhoogt
    • wij verhogen
    • jullie verhogen
    • zij verhogen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verhoogde
    • jij verhoogde
    • hij/zij/het verhoogde
    • wij verhoogden
    • jullie verhoogden
    • zij verhoogden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verhoogd
    • jij hebt verhoogd
    • hij/zij/het heeft verhoogd
    • wij hebben verhoogd
    • jullie hebben verhoogd
    • zij hebben verhoogd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verhoogd
    • jij had verhoogd
    • hij/zij/het had verhoogd
    • wij hadden verhoogd
    • jullie hadden verhoogd
    • zij hadden verhoogd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verhogen
    • jij zult verhogen
    • hij/zij/het zal verhogen
    • wij zullen verhogen
    • jullie zullen verhogen
    • zij zullen verhogen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verhoogd hebben
    • jij zult verhoogd hebben
    • hij/zij/het zal verhoogd hebben
    • wij zullen verhoogd hebben
    • jullie zullen verhoogd hebben
    • zij zullen verhoogd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verhogen
    • jij zou verhogen
    • hij/zij/het zou verhogen
    • wij zouden verhogen
    • jullie zouden verhogen
    • zij zouden verhogen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verhoogd
    • jij zou hebben verhoogd
    • hij/zij/het zou hebben verhoogd
    • wij zouden hebben verhoogd
    • jullie zouden hebben verhoogd
    • zij zouden hebben verhoogd
  • Imperatief

    • jij verhoog
    • jullie verhoogt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verhogen