Vervoeging van verkleden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verkleed
    • jij verkleedt
    • hij/zij/het verkleedt
    • wij verkleden
    • jullie verkleden
    • zij verkleden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verkleedde
    • jij verkleedde
    • hij/zij/het verkleedde
    • wij verkleedden
    • jullie verkleedden
    • zij verkleedden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verkleed
    • jij hebt verkleed
    • hij/zij/het heeft verkleed
    • wij hebben verkleed
    • jullie hebben verkleed
    • zij hebben verkleed
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verkleed
    • jij had verkleed
    • hij/zij/het had verkleed
    • wij hadden verkleed
    • jullie hadden verkleed
    • zij hadden verkleed
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verkleden
    • jij zult verkleden
    • hij/zij/het zal verkleden
    • wij zullen verkleden
    • jullie zullen verkleden
    • zij zullen verkleden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verkleed hebben
    • jij zult verkleed hebben
    • hij/zij/het zal verkleed hebben
    • wij zullen verkleed hebben
    • jullie zullen verkleed hebben
    • zij zullen verkleed hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verkleden
    • jij zou verkleden
    • hij/zij/het zou verkleden
    • wij zouden verkleden
    • jullie zouden verkleden
    • zij zouden verkleden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verkleed
    • jij zou hebben verkleed
    • hij/zij/het zou hebben verkleed
    • wij zouden hebben verkleed
    • jullie zouden hebben verkleed
    • zij zouden hebben verkleed
  • Imperatief

    • jij verkleed
    • jullie verkleedt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van verkleden