Vervoeging van verontheiligen

Onbepaalde wijs (infinitief): verontheiligen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verontheilig
    • jij verontheiligt
    • hij/zij/het verontheiligt
    • wij verontheiligen
    • jullie verontheiligen
    • zij verontheiligen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verontheiligde
    • jij verontheiligde
    • hij/zij/het verontheiligde
    • wij verontheiligden
    • jullie verontheiligden
    • zij verontheiligden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verontheiligd
    • jij hebt verontheiligd
    • hij/zij/het heeft verontheiligd
    • wij hebben verontheiligd
    • jullie hebben verontheiligd
    • zij hebben verontheiligd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verontheiligd
    • jij had verontheiligd
    • hij/zij/het had verontheiligd
    • wij hadden verontheiligd
    • jullie hadden verontheiligd
    • zij hadden verontheiligd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verontheiligen
    • jij zult verontheiligen
    • hij/zij/het zal verontheiligen
    • wij zullen verontheiligen
    • jullie zullen verontheiligen
    • zij zullen verontheiligen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verontheiligd hebben
    • jij zult verontheiligd hebben
    • hij/zij/het zal verontheiligd hebben
    • wij zullen verontheiligd hebben
    • jullie zullen verontheiligd hebben
    • zij zullen verontheiligd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verontheiligen
    • jij zou verontheiligen
    • hij/zij/het zou verontheiligen
    • wij zouden verontheiligen
    • jullie zouden verontheiligen
    • zij zouden verontheiligen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verontheiligd
    • jij zou hebben verontheiligd
    • hij/zij/het zou hebben verontheiligd
    • wij zouden hebben verontheiligd
    • jullie zouden hebben verontheiligd
    • zij zouden hebben verontheiligd
  • Imperatief

    • jij verontheilig
    • jullie verontheiligt