Vervoeging van veroordelen

Onbepaalde wijs (infinitief): veroordelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik veroordeel
    • jij veroordeelt
    • hij/zij/het veroordeelt
    • wij veroordelen
    • jullie veroordelen
    • zij veroordelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik veroordeelde
    • jij veroordeelde
    • hij/zij/het veroordeelde
    • wij veroordeelden
    • jullie veroordeelden
    • zij veroordeelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb veroordeeld
    • jij hebt veroordeeld
    • hij/zij/het heeft veroordeeld
    • wij hebben veroordeeld
    • jullie hebben veroordeeld
    • zij hebben veroordeeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had veroordeeld
    • jij had veroordeeld
    • hij/zij/het had veroordeeld
    • wij hadden veroordeeld
    • jullie hadden veroordeeld
    • zij hadden veroordeeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal veroordelen
    • jij zult veroordelen
    • hij/zij/het zal veroordelen
    • wij zullen veroordelen
    • jullie zullen veroordelen
    • zij zullen veroordelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal veroordeeld hebben
    • jij zult veroordeeld hebben
    • hij/zij/het zal veroordeeld hebben
    • wij zullen veroordeeld hebben
    • jullie zullen veroordeeld hebben
    • zij zullen veroordeeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou veroordelen
    • jij zou veroordelen
    • hij/zij/het zou veroordelen
    • wij zouden veroordelen
    • jullie zouden veroordelen
    • zij zouden veroordelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben veroordeeld
    • jij zou hebben veroordeeld
    • hij/zij/het zou hebben veroordeeld
    • wij zouden hebben veroordeeld
    • jullie zouden hebben veroordeeld
    • zij zouden hebben veroordeeld
  • Imperatief

    • jij veroordeel
    • jullie veroordeelt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van veroordelen