Vervoeging van verplaatsen

Onbepaalde wijs (infinitief): verplaatsen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verplaats
    • jij verplaatst
    • hij/zij/het verplaatst
    • wij verplaatsen
    • jullie verplaatsen
    • zij verplaatsen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verplaatste
    • jij verplaatste
    • hij/zij/het verplaatste
    • wij verplaatsten
    • jullie verplaatsten
    • zij verplaatsten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verplaatst
    • jij hebt verplaatst
    • hij/zij/het heeft verplaatst
    • wij hebben verplaatst
    • jullie hebben verplaatst
    • zij hebben verplaatst
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verplaatst
    • jij had verplaatst
    • hij/zij/het had verplaatst
    • wij hadden verplaatst
    • jullie hadden verplaatst
    • zij hadden verplaatst
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verplaatsen
    • jij zult verplaatsen
    • hij/zij/het zal verplaatsen
    • wij zullen verplaatsen
    • jullie zullen verplaatsen
    • zij zullen verplaatsen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verplaatst hebben
    • jij zult verplaatst hebben
    • hij/zij/het zal verplaatst hebben
    • wij zullen verplaatst hebben
    • jullie zullen verplaatst hebben
    • zij zullen verplaatst hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verplaatsen
    • jij zou verplaatsen
    • hij/zij/het zou verplaatsen
    • wij zouden verplaatsen
    • jullie zouden verplaatsen
    • zij zouden verplaatsen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verplaatst
    • jij zou hebben verplaatst
    • hij/zij/het zou hebben verplaatst
    • wij zouden hebben verplaatst
    • jullie zouden hebben verplaatst
    • zij zouden hebben verplaatst
  • Imperatief

    • jij verplaats
    • jullie verplaatst

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verplaatsen