Vervoeging van verrijken

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verrijk
    • jij verrijkt
    • hij/zij/het verrijkt
    • wij verrijken
    • jullie verrijken
    • zij verrijken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verrijkte
    • jij verrijkte
    • hij/zij/het verrijkte
    • wij verrijkten
    • jullie verrijkten
    • zij verrijkten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verrijkt
    • jij hebt verrijkt
    • hij/zij/het heeft verrijkt
    • wij hebben verrijkt
    • jullie hebben verrijkt
    • zij hebben verrijkt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verrijkt
    • jij had verrijkt
    • hij/zij/het had verrijkt
    • wij hadden verrijkt
    • jullie hadden verrijkt
    • zij hadden verrijkt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verrijken
    • jij zult verrijken
    • hij/zij/het zal verrijken
    • wij zullen verrijken
    • jullie zullen verrijken
    • zij zullen verrijken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verrijkt hebben
    • jij zult verrijkt hebben
    • hij/zij/het zal verrijkt hebben
    • wij zullen verrijkt hebben
    • jullie zullen verrijkt hebben
    • zij zullen verrijkt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verrijken
    • jij zou verrijken
    • hij/zij/het zou verrijken
    • wij zouden verrijken
    • jullie zouden verrijken
    • zij zouden verrijken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verrijkt
    • jij zou hebben verrijkt
    • hij/zij/het zou hebben verrijkt
    • wij zouden hebben verrijkt
    • jullie zouden hebben verrijkt
    • zij zouden hebben verrijkt
  • Imperatief

    • jij verrijk
    • jullie verrijkt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verrijken