Vervoeging van verschonen

Onbepaalde wijs (infinitief): verschonen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verschoon
    • jij verschoont
    • hij/zij/het verschoont
    • wij verschonen
    • jullie verschonen
    • zij verschonen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verschoonde
    • jij verschoonde
    • hij/zij/het verschoonde
    • wij verschoonden
    • jullie verschoonden
    • zij verschoonden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verschoond
    • jij hebt verschoond
    • hij/zij/het heeft verschoond
    • wij hebben verschoond
    • jullie hebben verschoond
    • zij hebben verschoond
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verschoond
    • jij had verschoond
    • hij/zij/het had verschoond
    • wij hadden verschoond
    • jullie hadden verschoond
    • zij hadden verschoond
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verschonen
    • jij zult verschonen
    • hij/zij/het zal verschonen
    • wij zullen verschonen
    • jullie zullen verschonen
    • zij zullen verschonen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verschoond hebben
    • jij zult verschoond hebben
    • hij/zij/het zal verschoond hebben
    • wij zullen verschoond hebben
    • jullie zullen verschoond hebben
    • zij zullen verschoond hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verschonen
    • jij zou verschonen
    • hij/zij/het zou verschonen
    • wij zouden verschonen
    • jullie zouden verschonen
    • zij zouden verschonen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verschoond
    • jij zou hebben verschoond
    • hij/zij/het zou hebben verschoond
    • wij zouden hebben verschoond
    • jullie zouden hebben verschoond
    • zij zouden hebben verschoond
  • Imperatief

    • jij verschoon
    • jullie verschoont

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van verschonen