Vervoeging van verslappen

Onbepaalde wijs (infinitief): verslappen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verslap
    • jij verslapt
    • hij/zij/het verslapt
    • wij verslappen
    • jullie verslappen
    • zij verslappen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verslapte
    • jij verslapte
    • hij/zij/het verslapte
    • wij verslapten
    • jullie verslapten
    • zij verslapten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verslapt
    • jij hebt verslapt
    • hij/zij/het heeft verslapt
    • wij hebben verslapt
    • jullie hebben verslapt
    • zij hebben verslapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verslapt
    • jij had verslapt
    • hij/zij/het had verslapt
    • wij hadden verslapt
    • jullie hadden verslapt
    • zij hadden verslapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verslappen
    • jij zult verslappen
    • hij/zij/het zal verslappen
    • wij zullen verslappen
    • jullie zullen verslappen
    • zij zullen verslappen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verslapt hebben
    • jij zult verslapt hebben
    • hij/zij/het zal verslapt hebben
    • wij zullen verslapt hebben
    • jullie zullen verslapt hebben
    • zij zullen verslapt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verslappen
    • jij zou verslappen
    • hij/zij/het zou verslappen
    • wij zouden verslappen
    • jullie zouden verslappen
    • zij zouden verslappen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verslapt
    • jij zou hebben verslapt
    • hij/zij/het zou hebben verslapt
    • wij zouden hebben verslapt
    • jullie zouden hebben verslapt
    • zij zouden hebben verslapt
  • Imperatief

    • jij verslap
    • jullie verslapt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verslappen