Vervoeging van verspreken

Onbepaalde wijs (infinitief): verspreken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verspreek
    • jij verspreekt
    • hij/zij/het verspreekt
    • wij verspreken
    • jullie verspreken
    • zij verspreken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik versprak
    • jij versprak
    • hij/zij/het versprak
    • wij verspraken
    • jullie verspraken
    • zij verspraken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb versproken
    • jij hebt versproken
    • hij/zij/het heeft versproken
    • wij hebben versproken
    • jullie hebben versproken
    • zij hebben versproken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had versproken
    • jij had versproken
    • hij/zij/het had versproken
    • wij hadden versproken
    • jullie hadden versproken
    • zij hadden versproken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verspreken
    • jij zult verspreken
    • hij/zij/het zal verspreken
    • wij zullen verspreken
    • jullie zullen verspreken
    • zij zullen verspreken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal versproken hebben
    • jij zult versproken hebben
    • hij/zij/het zal versproken hebben
    • wij zullen versproken hebben
    • jullie zullen versproken hebben
    • zij zullen versproken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verspreken
    • jij zou verspreken
    • hij/zij/het zou verspreken
    • wij zouden verspreken
    • jullie zouden verspreken
    • zij zouden verspreken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben versproken
    • jij zou hebben versproken
    • hij/zij/het zou hebben versproken
    • wij zouden hebben versproken
    • jullie zouden hebben versproken
    • zij zouden hebben versproken
  • Imperatief

    • jij verspreek
    • jullie verspreekt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verspreken