Vervoeging van verwilderen

Onbepaalde wijs (infinitief): verwilderen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verwilder
    • jij verwildert
    • hij/zij/het verwildert
    • wij verwilderen
    • jullie verwilderen
    • zij verwilderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verwilderde
    • jij verwilderde
    • hij/zij/het verwilderde
    • wij verwilderden
    • jullie verwilderden
    • zij verwilderden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben verwilderd
    • jij bent verwilderd
    • hij/zij/het is verwilderd
    • wij zijn verwilderd
    • jullie zijn verwilderd
    • zij zijn verwilderd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was verwilderd
    • jij was verwilderd
    • hij/zij/het was verwilderd
    • wij waren verwilderd
    • jullie waren verwilderd
    • zij waren verwilderd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verwilderen
    • jij zult verwilderen
    • hij/zij/het zal verwilderen
    • wij zullen verwilderen
    • jullie zullen verwilderen
    • zij zullen verwilderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verwilderd zijn
    • jij zult verwilderd zijn
    • hij/zij/het zal verwilderd zijn
    • wij zullen verwilderd zijn
    • jullie zullen verwilderd zijn
    • zij zullen verwilderd zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou verwilderen
    • jij zou verwilderen
    • hij/zij/het zou verwilderen
    • wij zouden verwilderen
    • jullie zouden verwilderen
    • zij zouden verwilderen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn verwilderd
    • jij zou zijn verwilderd
    • hij/zij/het zou zijn verwilderd
    • wij zouden zijn verwilderd
    • jullie zouden zijn verwilderd
    • zij zouden zijn verwilderd
  • Imperatief

    • jij verwilder
    • jullie verwildert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verwilderen