Vervoeging van vibreren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vibreer
    • jij vibreert
    • hij/zij/het vibreert
    • wij vibreren
    • jullie vibreren
    • zij vibreren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik vibreerde
    • jij vibreerde
    • hij/zij/het vibreerde
    • wij vibreerden
    • jullie vibreerden
    • zij vibreerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gevibreerd
    • jij hebt gevibreerd
    • hij/zij/het heeft gevibreerd
    • wij hebben gevibreerd
    • jullie hebben gevibreerd
    • zij hebben gevibreerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gevibreerd
    • jij had gevibreerd
    • hij/zij/het had gevibreerd
    • wij hadden gevibreerd
    • jullie hadden gevibreerd
    • zij hadden gevibreerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal vibreren
    • jij zult vibreren
    • hij/zij/het zal vibreren
    • wij zullen vibreren
    • jullie zullen vibreren
    • zij zullen vibreren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gevibreerd hebben
    • jij zult gevibreerd hebben
    • hij/zij/het zal gevibreerd hebben
    • wij zullen gevibreerd hebben
    • jullie zullen gevibreerd hebben
    • zij zullen gevibreerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou vibreren
    • jij zou vibreren
    • hij/zij/het zou vibreren
    • wij zouden vibreren
    • jullie zouden vibreren
    • zij zouden vibreren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gevibreerd
    • jij zou hebben gevibreerd
    • hij/zij/het zou hebben gevibreerd
    • wij zouden hebben gevibreerd
    • jullie zouden hebben gevibreerd
    • zij zouden hebben gevibreerd
  • Imperatief

    • jij vibreer
    • jullie vibreert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van vibreren