Vervoeging van viseren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik viseer
    • jij viseert
    • hij/zij/het viseert
    • wij viseren
    • jullie viseren
    • zij viseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik viseerde
    • jij viseerde
    • hij/zij/het viseerde
    • wij viseerden
    • jullie viseerden
    • zij viseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geviseerd
    • jij hebt geviseerd
    • hij/zij/het heeft geviseerd
    • wij hebben geviseerd
    • jullie hebben geviseerd
    • zij hebben geviseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geviseerd
    • jij had geviseerd
    • hij/zij/het had geviseerd
    • wij hadden geviseerd
    • jullie hadden geviseerd
    • zij hadden geviseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal viseren
    • jij zult viseren
    • hij/zij/het zal viseren
    • wij zullen viseren
    • jullie zullen viseren
    • zij zullen viseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geviseerd hebben
    • jij zult geviseerd hebben
    • hij/zij/het zal geviseerd hebben
    • wij zullen geviseerd hebben
    • jullie zullen geviseerd hebben
    • zij zullen geviseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou viseren
    • jij zou viseren
    • hij/zij/het zou viseren
    • wij zouden viseren
    • jullie zouden viseren
    • zij zouden viseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geviseerd
    • jij zou hebben geviseerd
    • hij/zij/het zou hebben geviseerd
    • wij zouden hebben geviseerd
    • jullie zouden hebben geviseerd
    • zij zouden hebben geviseerd
  • Imperatief

    • jij viseer
    • jullie viseert