Vervoeging van voorsorteren

Onbepaalde wijs (infinitief): voorsorteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik sorteer voor
    • jij sorteert voor
    • hij/zij/het sorteert voor
    • wij sorteren voor
    • jullie sorteren voor
    • zij sorteren voor
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik sorteerde voor
    • jij sorteerde voor
    • hij/zij/het sorteerde voor
    • wij sorteerden voor
    • jullie sorteerden voor
    • zij sorteerden voor
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb voorgesorteerd
    • jij hebt voorgesorteerd
    • hij/zij/het heeft voorgesorteerd
    • wij hebben voorgesorteerd
    • jullie hebben voorgesorteerd
    • zij hebben voorgesorteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had voorgesorteerd
    • jij had voorgesorteerd
    • hij/zij/het had voorgesorteerd
    • wij hadden voorgesorteerd
    • jullie hadden voorgesorteerd
    • zij hadden voorgesorteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal voorsorteren
    • jij zult voorsorteren
    • hij/zij/het zal voorsorteren
    • wij zullen voorsorteren
    • jullie zullen voorsorteren
    • zij zullen voorsorteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal voorgesorteerd hebben
    • jij zult voorgesorteerd hebben
    • hij/zij/het zal voorgesorteerd hebben
    • wij zullen voorgesorteerd hebben
    • jullie zullen voorgesorteerd hebben
    • zij zullen voorgesorteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou voorsorteren
    • jij zou voorsorteren
    • hij/zij/het zou voorsorteren
    • wij zouden voorsorteren
    • jullie zouden voorsorteren
    • zij zouden voorsorteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben voorgesorteerd
    • jij zou hebben voorgesorteerd
    • hij/zij/het zou hebben voorgesorteerd
    • wij zouden hebben voorgesorteerd
    • jullie zouden hebben voorgesorteerd
    • zij zouden hebben voorgesorteerd
  • Imperatief

    • jij sorteer voor
    • jullie sorteert voor

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van voorsorteren