Vervoeging van voorspiegelen

Onbepaalde wijs (infinitief): voorspiegelen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik spiegel voor
    • jij spiegelt voor
    • hij/zij/het spiegelt voor
    • wij spiegelen voor
    • jullie spiegelen voor
    • zij spiegelen voor
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik spiegelde voor
    • jij spiegelde voor
    • hij/zij/het spiegelde voor
    • wij spiegelden voor
    • jullie spiegelden voor
    • zij spiegelden voor
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb voorgespiegeld
    • jij hebt voorgespiegeld
    • hij/zij/het heeft voorgespiegeld
    • wij hebben voorgespiegeld
    • jullie hebben voorgespiegeld
    • zij hebben voorgespiegeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had voorgespiegeld
    • jij had voorgespiegeld
    • hij/zij/het had voorgespiegeld
    • wij hadden voorgespiegeld
    • jullie hadden voorgespiegeld
    • zij hadden voorgespiegeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal voorspiegelen
    • jij zult voorspiegelen
    • hij/zij/het zal voorspiegelen
    • wij zullen voorspiegelen
    • jullie zullen voorspiegelen
    • zij zullen voorspiegelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal voorgespiegeld hebben
    • jij zult voorgespiegeld hebben
    • hij/zij/het zal voorgespiegeld hebben
    • wij zullen voorgespiegeld hebben
    • jullie zullen voorgespiegeld hebben
    • zij zullen voorgespiegeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou voorspiegelen
    • jij zou voorspiegelen
    • hij/zij/het zou voorspiegelen
    • wij zouden voorspiegelen
    • jullie zouden voorspiegelen
    • zij zouden voorspiegelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben voorgespiegeld
    • jij zou hebben voorgespiegeld
    • hij/zij/het zou hebben voorgespiegeld
    • wij zouden hebben voorgespiegeld
    • jullie zouden hebben voorgespiegeld
    • zij zouden hebben voorgespiegeld
  • Imperatief

    • jij spiegel voor
    • jullie spiegelt voor

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van voorspiegelen