Vervoeging van voortellen

Onbepaalde wijs (infinitief): voortellen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik tel voor
    • jij telt voor
    • hij/zij/het telt voor
    • wij tellen voor
    • jullie tellen voor
    • zij tellen voor
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik telde voor
    • jij telde voor
    • hij/zij/het telde voor
    • wij telden voor
    • jullie telden voor
    • zij telden voor
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb voorgeteld
    • jij hebt voorgeteld
    • hij/zij/het heeft voorgeteld
    • wij hebben voorgeteld
    • jullie hebben voorgeteld
    • zij hebben voorgeteld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had voorgeteld
    • jij had voorgeteld
    • hij/zij/het had voorgeteld
    • wij hadden voorgeteld
    • jullie hadden voorgeteld
    • zij hadden voorgeteld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal voortellen
    • jij zult voortellen
    • hij/zij/het zal voortellen
    • wij zullen voortellen
    • jullie zullen voortellen
    • zij zullen voortellen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal voorgeteld hebben
    • jij zult voorgeteld hebben
    • hij/zij/het zal voorgeteld hebben
    • wij zullen voorgeteld hebben
    • jullie zullen voorgeteld hebben
    • zij zullen voorgeteld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou voortellen
    • jij zou voortellen
    • hij/zij/het zou voortellen
    • wij zouden voortellen
    • jullie zouden voortellen
    • zij zouden voortellen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben voorgeteld
    • jij zou hebben voorgeteld
    • hij/zij/het zou hebben voorgeteld
    • wij zouden hebben voorgeteld
    • jullie zouden hebben voorgeteld
    • zij zouden hebben voorgeteld
  • Imperatief

    • jij tel voor
    • jullie telt voor