Vervoeging van vooruitbestellen

Onbepaalde wijs (infinitief): vooruitbestellen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bestel vooruit
    • jij bestelt vooruit
    • hij/zij/het bestelt vooruit
    • wij bestellen vooruit
    • jullie bestellen vooruit
    • zij bestellen vooruit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bestelde vooruit
    • jij bestelde vooruit
    • hij/zij/het bestelde vooruit
    • wij bestelden vooruit
    • jullie bestelden vooruit
    • zij bestelden vooruit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb vooruitbesteld
    • jij hebt vooruitbesteld
    • hij/zij/het heeft vooruitbesteld
    • wij hebben vooruitbesteld
    • jullie hebben vooruitbesteld
    • zij hebben vooruitbesteld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had vooruitbesteld
    • jij had vooruitbesteld
    • hij/zij/het had vooruitbesteld
    • wij hadden vooruitbesteld
    • jullie hadden vooruitbesteld
    • zij hadden vooruitbesteld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal vooruitbestellen
    • jij zult vooruitbestellen
    • hij/zij/het zal vooruitbestellen
    • wij zullen vooruitbestellen
    • jullie zullen vooruitbestellen
    • zij zullen vooruitbestellen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal vooruitbesteld hebben
    • jij zult vooruitbesteld hebben
    • hij/zij/het zal vooruitbesteld hebben
    • wij zullen vooruitbesteld hebben
    • jullie zullen vooruitbesteld hebben
    • zij zullen vooruitbesteld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou vooruitbestellen
    • jij zou vooruitbestellen
    • hij/zij/het zou vooruitbestellen
    • wij zouden vooruitbestellen
    • jullie zouden vooruitbestellen
    • zij zouden vooruitbestellen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben vooruitbesteld
    • jij zou hebben vooruitbesteld
    • hij/zij/het zou hebben vooruitbesteld
    • wij zouden hebben vooruitbesteld
    • jullie zouden hebben vooruitbesteld
    • zij zouden hebben vooruitbesteld
  • Imperatief

    • jij bestel vooruit
    • jullie bestelt vooruit