Vervoeging van vrijvechten

Onbepaalde wijs (infinitief): vrijvechten

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vecht vrij
    • jij vecht vrij
    • hij/zij/het vecht vrij
    • wij vechten vrij
    • jullie vechten vrij
    • zij vechten vrij
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik vocht vrij
    • jij vocht vrij
    • hij/zij/het vocht vrij
    • wij vochten vrij
    • jullie vochten vrij
    • zij vochten vrij
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb vrijgevochten
    • jij hebt vrijgevochten
    • hij/zij/het heeft vrijgevochten
    • wij hebben vrijgevochten
    • jullie hebben vrijgevochten
    • zij hebben vrijgevochten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had vrijgevochten
    • jij had vrijgevochten
    • hij/zij/het had vrijgevochten
    • wij hadden vrijgevochten
    • jullie hadden vrijgevochten
    • zij hadden vrijgevochten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal vrijvechten
    • jij zult vrijvechten
    • hij/zij/het zal vrijvechten
    • wij zullen vrijvechten
    • jullie zullen vrijvechten
    • zij zullen vrijvechten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal vrijgevochten hebben
    • jij zult vrijgevochten hebben
    • hij/zij/het zal vrijgevochten hebben
    • wij zullen vrijgevochten hebben
    • jullie zullen vrijgevochten hebben
    • zij zullen vrijgevochten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou vrijvechten
    • jij zou vrijvechten
    • hij/zij/het zou vrijvechten
    • wij zouden vrijvechten
    • jullie zouden vrijvechten
    • zij zouden vrijvechten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben vrijgevochten
    • jij zou hebben vrijgevochten
    • hij/zij/het zou hebben vrijgevochten
    • wij zouden hebben vrijgevochten
    • jullie zouden hebben vrijgevochten
    • zij zouden hebben vrijgevochten
  • Imperatief

    • jij vecht vrij
    • jullie vecht vrij