Vervoeging van wassen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik was
    • jij wast
    • hij/zij/het wast
    • wij wassen
    • jullie wassen
    • zij wassen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik waste
    • jij waste
    • hij/zij/het waste
    • wij wasten
    • jullie wasten
    • zij wasten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gewassen
    • jij hebt gewassen
    • hij/zij/het heeft gewassen
    • wij hebben gewassen
    • jullie hebben gewassen
    • zij hebben gewassen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gewassen
    • jij had gewassen
    • hij/zij/het had gewassen
    • wij hadden gewassen
    • jullie hadden gewassen
    • zij hadden gewassen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal wassen
    • jij zult wassen
    • hij/zij/het zal wassen
    • wij zullen wassen
    • jullie zullen wassen
    • zij zullen wassen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gewassen hebben
    • jij zult gewassen hebben
    • hij/zij/het zal gewassen hebben
    • wij zullen gewassen hebben
    • jullie zullen gewassen hebben
    • zij zullen gewassen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou wassen
    • jij zou wassen
    • hij/zij/het zou wassen
    • wij zouden wassen
    • jullie zouden wassen
    • zij zouden wassen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gewassen
    • jij zou hebben gewassen
    • hij/zij/het zou hebben gewassen
    • wij zouden hebben gewassen
    • jullie zouden hebben gewassen
    • zij zouden hebben gewassen
  • Imperatief

    • jij was
    • jullie wast

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van wassen