Vervoeging van weerleggen

Onbepaalde wijs (infinitief): weerleggen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik weerleg
    • jij weerlegt
    • hij/zij/het weerlegt
    • wij weerleggen
    • jullie weerleggen
    • zij weerleggen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik weerlegde
    • jij weerlegde
    • hij/zij/het weerlegde
    • wij weerlegden
    • jullie weerlegden
    • zij weerlegden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb weerlegd
    • jij hebt weerlegd
    • hij/zij/het heeft weerlegd
    • wij hebben weerlegd
    • jullie hebben weerlegd
    • zij hebben weerlegd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had weerlegd
    • jij had weerlegd
    • hij/zij/het had weerlegd
    • wij hadden weerlegd
    • jullie hadden weerlegd
    • zij hadden weerlegd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal weerleggen
    • jij zult weerleggen
    • hij/zij/het zal weerleggen
    • wij zullen weerleggen
    • jullie zullen weerleggen
    • zij zullen weerleggen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal weerlegd hebben
    • jij zult weerlegd hebben
    • hij/zij/het zal weerlegd hebben
    • wij zullen weerlegd hebben
    • jullie zullen weerlegd hebben
    • zij zullen weerlegd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou weerleggen
    • jij zou weerleggen
    • hij/zij/het zou weerleggen
    • wij zouden weerleggen
    • jullie zouden weerleggen
    • zij zouden weerleggen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben weerlegd
    • jij zou hebben weerlegd
    • hij/zij/het zou hebben weerlegd
    • wij zouden hebben weerlegd
    • jullie zouden hebben weerlegd
    • zij zouden hebben weerlegd
  • Imperatief

    • jij weerleg
    • jullie weerlegt