Vervoeging van wennen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik wen
    • jij went
    • hij/zij/het went
    • wij wennen
    • jullie wennen
    • zij wennen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik wende
    • jij wende
    • hij/zij/het wende
    • wij wenden
    • jullie wenden
    • zij wenden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gewend
    • jij hebt gewend
    • hij/zij/het heeft gewend
    • wij hebben gewend
    • jullie hebben gewend
    • zij hebben gewend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gewend
    • jij had gewend
    • hij/zij/het had gewend
    • wij hadden gewend
    • jullie hadden gewend
    • zij hadden gewend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal wennen
    • jij zult wennen
    • hij/zij/het zal wennen
    • wij zullen wennen
    • jullie zullen wennen
    • zij zullen wennen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gewend hebben
    • jij zult gewend hebben
    • hij/zij/het zal gewend hebben
    • wij zullen gewend hebben
    • jullie zullen gewend hebben
    • zij zullen gewend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou wennen
    • jij zou wennen
    • hij/zij/het zou wennen
    • wij zouden wennen
    • jullie zouden wennen
    • zij zouden wennen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gewend
    • jij zou hebben gewend
    • hij/zij/het zou hebben gewend
    • wij zouden hebben gewend
    • jullie zouden hebben gewend
    • zij zouden hebben gewend
  • Imperatief

    • jij wen
    • jullie went

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van wennen