Vervoeging van zien


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik zie
    • jij ziet
    • hij/zij/het ziet
    • wij zien
    • jullie zien
    • zij zien
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik zag
    • jij zag
    • hij/zij/het zag
    • wij zagen
    • jullie zagen
    • zij zagen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gezien
    • jij hebt gezien
    • hij/zij/het heeft gezien
    • wij hebben gezien
    • jullie hebben gezien
    • zij hebben gezien
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gezien
    • jij had gezien
    • hij/zij/het had gezien
    • wij hadden gezien
    • jullie hadden gezien
    • zij hadden gezien
  • Toekomende tijd I

    • ik zal zien
    • jij zult zien
    • hij/zij/het zal zien
    • wij zullen zien
    • jullie zullen zien
    • zij zullen zien
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gezien hebben
    • jij zult gezien hebben
    • hij/zij/het zal gezien hebben
    • wij zullen gezien hebben
    • jullie zullen gezien hebben
    • zij zullen gezien hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou zien
    • jij zou zien
    • hij/zij/het zou zien
    • wij zouden zien
    • jullie zouden zien
    • zij zouden zien
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gezien
    • jij zou hebben gezien
    • hij/zij/het zou hebben gezien
    • wij zouden hebben gezien
    • jullie zouden hebben gezien
    • zij zouden hebben gezien
  • Imperatief

    • jij zie
    • jullie ziet

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van zien