Vervoeging van tamboeren

Er is helaas geen Duitse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik tamboer
    • jij tamboert
    • hij/zij/het tamboert
    • wij tamboeren
    • jullie tamboeren
    • zij tamboeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik tamboerde
    • jij tamboerde
    • hij/zij/het tamboerde
    • wij tamboerden
    • jullie tamboerden
    • zij tamboerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb getamboerd
    • jij hebt getamboerd
    • hij/zij/het heeft getamboerd
    • wij hebben getamboerd
    • jullie hebben getamboerd
    • zij hebben getamboerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had getamboerd
    • jij had getamboerd
    • hij/zij/het had getamboerd
    • wij hadden getamboerd
    • jullie hadden getamboerd
    • zij hadden getamboerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal tamboeren
    • jij zult tamboeren
    • hij/zij/het zal tamboeren
    • wij zullen tamboeren
    • jullie zullen tamboeren
    • zij zullen tamboeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal getamboerd hebben
    • jij zult getamboerd hebben
    • hij/zij/het zal getamboerd hebben
    • wij zullen getamboerd hebben
    • jullie zullen getamboerd hebben
    • zij zullen getamboerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou tamboeren
    • jij zou tamboeren
    • hij/zij/het zou tamboeren
    • wij zouden tamboeren
    • jullie zouden tamboeren
    • zij zouden tamboeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben getamboerd
    • jij zou hebben getamboerd
    • hij/zij/het zou hebben getamboerd
    • wij zouden hebben getamboerd
    • jullie zouden hebben getamboerd
    • zij zouden hebben getamboerd
  • Imperatief

    • jij tamboer
    • jullie tamboert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van tamboeren