Vervoeging van bepantseren

Onbepaalde wijs (infinitief): bepantseren

Er is helaas geen Italiaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bepantser
    • jij bepantsert
    • hij/zij/het bepantsert
    • wij bepantseren
    • jullie bepantseren
    • zij bepantseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bepantserde
    • jij bepantserde
    • hij/zij/het bepantserde
    • wij bepantserden
    • jullie bepantserden
    • zij bepantserden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bepantserd
    • jij hebt bepantserd
    • hij/zij/het heeft bepantserd
    • wij hebben bepantserd
    • jullie hebben bepantserd
    • zij hebben bepantserd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bepantserd
    • jij had bepantserd
    • hij/zij/het had bepantserd
    • wij hadden bepantserd
    • jullie hadden bepantserd
    • zij hadden bepantserd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bepantseren
    • jij zult bepantseren
    • hij/zij/het zal bepantseren
    • wij zullen bepantseren
    • jullie zullen bepantseren
    • zij zullen bepantseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bepantserd hebben
    • jij zult bepantserd hebben
    • hij/zij/het zal bepantserd hebben
    • wij zullen bepantserd hebben
    • jullie zullen bepantserd hebben
    • zij zullen bepantserd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bepantseren
    • jij zou bepantseren
    • hij/zij/het zou bepantseren
    • wij zouden bepantseren
    • jullie zouden bepantseren
    • zij zouden bepantseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bepantserd
    • jij zou hebben bepantserd
    • hij/zij/het zou hebben bepantserd
    • wij zouden hebben bepantserd
    • jullie zouden hebben bepantserd
    • zij zouden hebben bepantserd
  • Imperatief

    • jij bepantser
    • jullie bepantsert