Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it accommodates
  • they accommodate

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het baat
  • zij baten

Simple past

  • he/she/it accommodated
  • they accommodated

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het baatte
  • zij baatten

Present perfect

  • he/she/it has accommodated
  • they have accommodated

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gebaat
  • zij hebben gebaat

Past perfect

  • he/she/it had accommodated
  • they had accommodated

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gebaat
  • zij hadden gebaat

Future

  • he/she/it will accommodate
  • they will accommodate

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal baten
  • zij zult baten

Future perfect

  • he/she/it will have accommodated
  • they will have accommodated

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gebaat hebben
  • zij zult gebaat hebben

Conditional present

  • he/she/it would accommodate
  • they would accommodate

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal baten
  • zij zullen baten

Conditional perfect

  • he/she/it would have accommodated
  • they would have accommodated

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben gebaat
  • zij zullen hebben gebaat

Verwijzingen

Bekijk 10 definitie(s) van accommodate