Engels

Nederlands

Present

  • I amplify
  • you amplify
  • he/she/it amplifies
  • we amplify
  • you amplify
  • they amplify

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verwijd
  • jij verwijdt
  • hij/zij/het verwijdt
  • wij verwijden
  • jullie verwijden
  • zij verwijden

Simple past

  • I amplified
  • you amplified
  • he/she/it amplified
  • we amplified
  • you amplified
  • they amplified

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verwijdde
  • jij verwijdde
  • hij/zij/het verwijdde
  • wij verwijdden
  • jullie verwijdden
  • zij verwijdden

Present perfect

  • I have amplified
  • you have amplified
  • he/she/it has amplified
  • we have amplified
  • you have amplified
  • they have amplified

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verwijd
  • jij hebt verwijd
  • hij/zij/het heeft verwijd
  • wij hebben verwijd
  • jullie hebben verwijd
  • zij hebben verwijd

Past perfect

  • I had amplified
  • you had amplified
  • he/she/it had amplified
  • we had amplified
  • you had amplified
  • they had amplified

Voltooid verleden tijd

  • ik had verwijd
  • jij had verwijd
  • hij/zij/het had verwijd
  • wij hadden verwijd
  • jullie hadden verwijd
  • zij hadden verwijd

Future

  • I will amplify
  • you will amplify
  • he/she/it will amplify
  • we will amplify
  • you will amplify
  • they will amplify

Toekomende tijd I

  • ik zal verwijden
  • jij zult verwijden
  • hij/zij/het zal verwijden
  • wij zullen verwijden
  • jullie zullen verwijden
  • zij zullen verwijden

Future perfect

  • I will have amplified
  • you will have amplified
  • he/she/it will have amplified
  • we will have amplified
  • you will have amplified
  • they will have amplified

Toekomende tijd II

  • ik zal verwijd hebben
  • jij zult verwijd hebben
  • hij/zij/het zal verwijd hebben
  • wij zullen verwijd hebben
  • jullie zullen verwijd hebben
  • zij zullen verwijd hebben

Conditional present

  • I would amplify
  • you would amplify
  • he/she/it would amplify
  • we would amplify
  • you would amplify
  • they would amplify

Conditionalis I

  • ik zou verwijden
  • jij zou verwijden
  • hij/zij/het zou verwijden
  • wij zouden verwijden
  • jullie zouden verwijden
  • zij zouden verwijden

Conditional perfect

  • I would have amplified
  • you would have amplified
  • he/she/it would have amplified
  • we would have amplified
  • you would have amplified
  • they would have amplified

Conditionalis II

  • ik zou hebben verwijd
  • jij zou hebben verwijd
  • hij/zij/het zou hebben verwijd
  • wij zouden hebben verwijd
  • jullie zouden hebben verwijd
  • zij zouden hebben verwijd

Imperative

  • you amplify
  • you amplify

Imperatief

  • jij verwijd
  • jullie verwijdt

Verwijzingen

Bekijk 8 definitie(s) van amplify