Vervoeging van bespreken


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik bespreek
  • jij bespreekt
  • hij/zij/het bespreekt
  • wij bespreken
  • jullie bespreken
  • zij bespreken

Present

  • I critique
  • you critique
  • he/she/it critiques
  • we critique
  • you critique
  • they critique

Onvoltooid verleden tijd

  • ik besprak
  • jij besprak
  • hij/zij/het besprak
  • wij bespraken
  • jullie bespraken
  • zij bespraken

Simple past

  • I critiqued
  • you critiqued
  • he/she/it critiqued
  • we critiqued
  • you critiqued
  • they critiqued

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb besproken
  • jij hebt besproken
  • hij/zij/het heeft besproken
  • wij hebben besproken
  • jullie hebben besproken
  • zij hebben besproken

Present perfect

  • I have critiqued
  • you have critiqued
  • he/she/it has critiqued
  • we have critiqued
  • you have critiqued
  • they have critiqued

Voltooid verleden tijd

  • ik had besproken
  • jij had besproken
  • hij/zij/het had besproken
  • wij hadden besproken
  • jullie hadden besproken
  • zij hadden besproken

Past perfect

  • I had critiqued
  • you had critiqued
  • he/she/it had critiqued
  • we had critiqued
  • you had critiqued
  • they had critiqued

Toekomende tijd I

  • ik zal bespreken
  • jij zult bespreken
  • hij/zij/het zal bespreken
  • wij zullen bespreken
  • jullie zullen bespreken
  • zij zullen bespreken

Future

  • I will critique
  • you will critique
  • he/she/it will critique
  • we will critique
  • you will critique
  • they will critique

Toekomende tijd II

  • ik zal besproken hebben
  • jij zult besproken hebben
  • hij/zij/het zal besproken hebben
  • wij zullen besproken hebben
  • jullie zullen besproken hebben
  • zij zullen besproken hebben

Future perfect

  • I will have critiqued
  • you will have critiqued
  • he/she/it will have critiqued
  • we will have critiqued
  • you will have critiqued
  • they will have critiqued

Conditionalis I

  • ik zou bespreken
  • jij zou bespreken
  • hij/zij/het zou bespreken
  • wij zouden bespreken
  • jullie zouden bespreken
  • zij zouden bespreken

Conditional present

  • I would critique
  • you would critique
  • he/she/it would critique
  • we would critique
  • you would critique
  • they would critique

Conditionalis II

  • ik zou hebben besproken
  • jij zou hebben besproken
  • hij/zij/het zou hebben besproken
  • wij zouden hebben besproken
  • jullie zouden hebben besproken
  • zij zouden hebben besproken

Conditional perfect

  • I would have critiqued
  • you would have critiqued
  • he/she/it would have critiqued
  • we would have critiqued
  • you would have critiqued
  • they would have critiqued

Imperatief

  • jij bespreek
  • jullie bespreekt

Imperative

  • you critique
  • you critique

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van bespreken