Vervoeging van binnenkrijgen

Onbepaalde wijs (infinitief): binnenkrijgen

Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik krijg binnen
  • jij krijgt binnen
  • hij/zij/het krijgt binnen
  • wij krijgen binnen
  • jullie krijgen binnen
  • zij krijgen binnen

Präsens Indikativ

  • ich kassiere
  • du kassierst
  • er/sie/es kassiert
  • wir kassieren
  • ihr kassiert
  • sie kassieren

Onvoltooid verleden tijd

  • ik kreeg binnen
  • jij kreeg binnen
  • hij/zij/het kreeg binnen
  • wij kregen binnen
  • jullie kregen binnen
  • zij kregen binnen

Präteritum Indikativ

  • ich kassierte
  • du kassiertest
  • er/sie/es kassierte
  • wir kassierten
  • ihr kassiertet
  • sie kassierten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb binnengekregen
  • jij hebt binnengekregen
  • hij/zij/het heeft binnengekregen
  • wij hebben binnengekregen
  • jullie hebben binnengekregen
  • zij hebben binnengekregen

Perfekt Indikativ

  • ich habe kassiert
  • du hast kassiert
  • er/sie/es hat kassiert
  • wir haben kassiert
  • ihr habt kassiert
  • sie haben kassiert

Voltooid verleden tijd

  • ik had binnengekregen
  • jij had binnengekregen
  • hij/zij/het had binnengekregen
  • wij hadden binnengekregen
  • jullie hadden binnengekregen
  • zij hadden binnengekregen

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte kassiert
  • du hattest kassiert
  • er/sie/es hatte kassiert
  • wir hatten kassiert
  • ihr hattet kassiert
  • sie hatten kassiert

Toekomende tijd I

  • ik zal binnenkrijgen
  • jij zult binnenkrijgen
  • hij/zij/het zal binnenkrijgen
  • wij zullen binnenkrijgen
  • jullie zullen binnenkrijgen
  • zij zullen binnenkrijgen

Futur I Indikativ

  • ich werde kassieren
  • du wirst kassieren
  • er/sie/es wird kassieren
  • wir werden kassieren
  • ihr werdet kassieren
  • sie werden kassieren

Toekomende tijd II

  • ik zal binnengekregen hebben
  • jij zult binnengekregen hebben
  • hij/zij/het zal binnengekregen hebben
  • wij zullen binnengekregen hebben
  • jullie zullen binnengekregen hebben
  • zij zullen binnengekregen hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde kassiert haben
  • du wirst kassiert haben
  • er/sie/es wird kassiert haben
  • wir werden kassiert haben
  • ihr werdet kassiert haben
  • sie werden kassiert haben

Conditionalis I

  • ik zou binnenkrijgen
  • jij zou binnenkrijgen
  • hij/zij/het zou binnenkrijgen
  • wij zouden binnenkrijgen
  • jullie zouden binnenkrijgen
  • zij zouden binnenkrijgen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde kassieren
  • du würdest kassieren
  • er/sie/es würde kassieren
  • wir würden kassieren
  • ihr würdet kassieren
  • sie würden kassieren

Conditionalis II

  • ik zou hebben binnengekregen
  • jij zou hebben binnengekregen
  • hij/zij/het zou hebben binnengekregen
  • wij zouden hebben binnengekregen
  • jullie zouden hebben binnengekregen
  • zij zouden hebben binnengekregen

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde kassiert haben
  • du würdest kassiert haben
  • er/sie/es würde kassiert haben
  • wir würden kassiert haben
  • ihr würdet kassiert haben
  • sie würden kassiert haben

Imperatief

  • jij krijg binnen
  • jullie krijgt binnen

Imperativ

  • du kassiere
  • ihr kassiert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van binnenkrijgen