Vervoeging van color


Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it colors
  • they color

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het verkleurt
  • zij verkleuren

Simple past

  • he/she/it colored
  • they colored

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het verkleurde
  • zij verkleurden

Present perfect

  • he/she/it has colored
  • they have colored

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft verkleurd
  • zij hebben verkleurd

Past perfect

  • he/she/it had colored
  • they had colored

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had verkleurd
  • zij hadden verkleurd

Future

  • he/she/it will color
  • they will color

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal verkleuren
  • zij zult verkleuren

Future perfect

  • he/she/it will have colored
  • they will have colored

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal verkleurd hebben
  • zij zult verkleurd hebben

Conditional present

  • he/she/it would color
  • they would color

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal verkleuren
  • zij zullen verkleuren

Conditional perfect

  • he/she/it would have colored
  • they would have colored

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben verkleurd
  • zij zullen hebben verkleurd

Verwijzingen

Bekijk 8 definitie(s) van color