Vervoeging van flare


Engels

Nederlands

Present

  • I flare
  • you flare
  • he/she/it flares
  • we flare
  • you flare
  • they flare

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik breek uit
  • jij breekt uit
  • hij/zij/het breekt uit
  • wij breken uit
  • jullie breken uit
  • zij breken uit

Simple past

  • I flared
  • you flared
  • he/she/it flared
  • we flared
  • you flared
  • they flared

Onvoltooid verleden tijd

  • ik brak uit
  • jij brak uit
  • hij/zij/het brak uit
  • wij braken uit
  • jullie braken uit
  • zij braken uit

Present perfect

  • I have flared
  • you have flared
  • he/she/it has flared
  • we have flared
  • you have flared
  • they have flared

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb uitgebroken
  • jij hebt uitgebroken
  • hij/zij/het heeft uitgebroken
  • wij hebben uitgebroken
  • jullie hebben uitgebroken
  • zij hebben uitgebroken

Past perfect

  • I had flared
  • you had flared
  • he/she/it had flared
  • we had flared
  • you had flared
  • they had flared

Voltooid verleden tijd

  • ik had uitgebroken
  • jij had uitgebroken
  • hij/zij/het had uitgebroken
  • wij hadden uitgebroken
  • jullie hadden uitgebroken
  • zij hadden uitgebroken

Future

  • I will flare
  • you will flare
  • he/she/it will flare
  • we will flare
  • you will flare
  • they will flare

Toekomende tijd I

  • ik zal uitbreken
  • jij zult uitbreken
  • hij/zij/het zal uitbreken
  • wij zullen uitbreken
  • jullie zullen uitbreken
  • zij zullen uitbreken

Future perfect

  • I will have flared
  • you will have flared
  • he/she/it will have flared
  • we will have flared
  • you will have flared
  • they will have flared

Toekomende tijd II

  • ik zal uitgebroken hebben
  • jij zult uitgebroken hebben
  • hij/zij/het zal uitgebroken hebben
  • wij zullen uitgebroken hebben
  • jullie zullen uitgebroken hebben
  • zij zullen uitgebroken hebben

Conditional present

  • I would flare
  • you would flare
  • he/she/it would flare
  • we would flare
  • you would flare
  • they would flare

Conditionalis I

  • ik zou uitbreken
  • jij zou uitbreken
  • hij/zij/het zou uitbreken
  • wij zouden uitbreken
  • jullie zouden uitbreken
  • zij zouden uitbreken

Conditional perfect

  • I would have flared
  • you would have flared
  • he/she/it would have flared
  • we would have flared
  • you would have flared
  • they would have flared

Conditionalis II

  • ik zou hebben uitgebroken
  • jij zou hebben uitgebroken
  • hij/zij/het zou hebben uitgebroken
  • wij zouden hebben uitgebroken
  • jullie zouden hebben uitgebroken
  • zij zouden hebben uitgebroken

Imperative

  • you flare
  • you flare

Imperatief

  • jij breek uit
  • jullie breekt uit

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van flare