Vervoeging van herplaatsen

Onbepaalde wijs (infinitief): herplaatsen


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik herplaats
  • jij herplaatst
  • hij/zij/het herplaatst
  • wij herplaatsen
  • jullie herplaatsen
  • zij herplaatsen

Présent

  • je repose
  • tu reposes
  • il/elle repose
  • nous reposons
  • vous reposez
  • ils/elles reposent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik herplaatste
  • jij herplaatste
  • hij/zij/het herplaatste
  • wij herplaatsten
  • jullie herplaatsten
  • zij herplaatsten

Indicatif imparfait

  • je reposais
  • tu reposais
  • il/elle reposait
  • nous reposions
  • vous reposiez
  • ils/elles reposaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb herplaatst
  • jij hebt herplaatst
  • hij/zij/het heeft herplaatst
  • wij hebben herplaatst
  • jullie hebben herplaatst
  • zij hebben herplaatst

Indicatif passé composé

  • j'ai reposé
  • tu as reposé
  • il/elle a reposé
  • nous avons reposé
  • vous avez reposé
  • ils/elles ont reposé

Voltooid verleden tijd

  • ik had herplaatst
  • jij had herplaatst
  • hij/zij/het had herplaatst
  • wij hadden herplaatst
  • jullie hadden herplaatst
  • zij hadden herplaatst

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais reposé
  • tu avais reposé
  • il/elle avait reposé
  • nous avions reposé
  • vous aviez reposé
  • ils/elles avaient reposé

Toekomende tijd I

  • ik zal herplaatsen
  • jij zult herplaatsen
  • hij/zij/het zal herplaatsen
  • wij zullen herplaatsen
  • jullie zullen herplaatsen
  • zij zullen herplaatsen

Indicatif futur

  • je reposerai
  • tu reposeras
  • il/elle reposera
  • nous reposerons
  • vous reposerez
  • ils/elles reposeront

Toekomende tijd II

  • ik zal herplaatst hebben
  • jij zult herplaatst hebben
  • hij/zij/het zal herplaatst hebben
  • wij zullen herplaatst hebben
  • jullie zullen herplaatst hebben
  • zij zullen herplaatst hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai reposé
  • tu auras reposé
  • il/elle aura reposé
  • nous aurons reposé
  • vous aurez reposé
  • ils/elles auront reposé

Conditionalis I

  • ik zou herplaatsen
  • jij zou herplaatsen
  • hij/zij/het zou herplaatsen
  • wij zouden herplaatsen
  • jullie zouden herplaatsen
  • zij zouden herplaatsen

Conditionnel présent

  • je reposerais
  • tu reposerais
  • il/elle reposerait
  • nous reposerions
  • vous reposeriez
  • ils/elles reposeraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben herplaatst
  • jij zou hebben herplaatst
  • hij/zij/het zou hebben herplaatst
  • wij zouden hebben herplaatst
  • jullie zouden hebben herplaatst
  • zij zouden hebben herplaatst

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais reposé
  • tu aurais reposé
  • il/elle aurait reposé
  • nous aurions reposé
  • vous auriez reposé
  • ils/elles auraient reposé

Imperatief

  • jij herplaats
  • jullie herplaatst

Impératif

  • tu repose
  • vous reposez

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van herplaatsen