Vervoeging van inhalen


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik haal in
  • jij haalt in
  • hij/zij/het haalt in
  • wij halen in
  • jullie halen in
  • zij halen in

Présent

  • je double
  • tu doubles
  • il/elle double
  • nous doublons
  • vous doublez
  • ils/elles doublent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik haalde in
  • jij haalde in
  • hij/zij/het haalde in
  • wij haalden in
  • jullie haalden in
  • zij haalden in

Indicatif imparfait

  • je doublais
  • tu doublais
  • il/elle doublait
  • nous doublions
  • vous doubliez
  • ils/elles doublaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb ingehaald
  • jij hebt ingehaald
  • hij/zij/het heeft ingehaald
  • wij hebben ingehaald
  • jullie hebben ingehaald
  • zij hebben ingehaald

Indicatif passé composé

  • j'ai doublé
  • tu as doublé
  • il/elle a doublé
  • nous avons doublé
  • vous avez doublé
  • ils/elles ont doublé

Voltooid verleden tijd

  • ik had ingehaald
  • jij had ingehaald
  • hij/zij/het had ingehaald
  • wij hadden ingehaald
  • jullie hadden ingehaald
  • zij hadden ingehaald

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais doublé
  • tu avais doublé
  • il/elle avait doublé
  • nous avions doublé
  • vous aviez doublé
  • ils/elles avaient doublé

Toekomende tijd I

  • ik zal inhalen
  • jij zult inhalen
  • hij/zij/het zal inhalen
  • wij zullen inhalen
  • jullie zullen inhalen
  • zij zullen inhalen

Indicatif futur

  • je doublerai
  • tu doubleras
  • il/elle doublera
  • nous doublerons
  • vous doublerez
  • ils/elles doubleront

Toekomende tijd II

  • ik zal ingehaald hebben
  • jij zult ingehaald hebben
  • hij/zij/het zal ingehaald hebben
  • wij zullen ingehaald hebben
  • jullie zullen ingehaald hebben
  • zij zullen ingehaald hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai doublé
  • tu auras doublé
  • il/elle aura doublé
  • nous aurons doublé
  • vous aurez doublé
  • ils/elles auront doublé

Conditionalis I

  • ik zou inhalen
  • jij zou inhalen
  • hij/zij/het zou inhalen
  • wij zouden inhalen
  • jullie zouden inhalen
  • zij zouden inhalen

Conditionnel présent

  • je doublerais
  • tu doublerais
  • il/elle doublerait
  • nous doublerions
  • vous doubleriez
  • ils/elles doubleraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben ingehaald
  • jij zou hebben ingehaald
  • hij/zij/het zou hebben ingehaald
  • wij zouden hebben ingehaald
  • jullie zouden hebben ingehaald
  • zij zouden hebben ingehaald

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais doublé
  • tu aurais doublé
  • il/elle aurait doublé
  • nous aurions doublé
  • vous auriez doublé
  • ils/elles auraient doublé

Imperatief

  • jij haal in
  • jullie haalt in

Impératif

  • tu double
  • vous doublez

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van inhalen