Vervoeging van install


Engels

Nederlands

Present

  • I install
  • you install
  • he/she/it installs
  • we install
  • you install
  • they install

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik benoem
  • jij benoemt
  • hij/zij/het benoemt
  • wij benoemen
  • jullie benoemen
  • zij benoemen

Simple past

  • I installed
  • you installed
  • he/she/it installed
  • we installed
  • you installed
  • they installed

Onvoltooid verleden tijd

  • ik benoemde
  • jij benoemde
  • hij/zij/het benoemde
  • wij benoemden
  • jullie benoemden
  • zij benoemden

Present perfect

  • I have installed
  • you have installed
  • he/she/it has installed
  • we have installed
  • you have installed
  • they have installed

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb benoemd
  • jij hebt benoemd
  • hij/zij/het heeft benoemd
  • wij hebben benoemd
  • jullie hebben benoemd
  • zij hebben benoemd

Past perfect

  • I had installed
  • you had installed
  • he/she/it had installed
  • we had installed
  • you had installed
  • they had installed

Voltooid verleden tijd

  • ik had benoemd
  • jij had benoemd
  • hij/zij/het had benoemd
  • wij hadden benoemd
  • jullie hadden benoemd
  • zij hadden benoemd

Future

  • I will install
  • you will install
  • he/she/it will install
  • we will install
  • you will install
  • they will install

Toekomende tijd I

  • ik zal benoemen
  • jij zult benoemen
  • hij/zij/het zal benoemen
  • wij zullen benoemen
  • jullie zullen benoemen
  • zij zullen benoemen

Future perfect

  • I will have installed
  • you will have installed
  • he/she/it will have installed
  • we will have installed
  • you will have installed
  • they will have installed

Toekomende tijd II

  • ik zal benoemd hebben
  • jij zult benoemd hebben
  • hij/zij/het zal benoemd hebben
  • wij zullen benoemd hebben
  • jullie zullen benoemd hebben
  • zij zullen benoemd hebben

Conditional present

  • I would install
  • you would install
  • he/she/it would install
  • we would install
  • you would install
  • they would install

Conditionalis I

  • ik zou benoemen
  • jij zou benoemen
  • hij/zij/het zou benoemen
  • wij zouden benoemen
  • jullie zouden benoemen
  • zij zouden benoemen

Conditional perfect

  • I would have installed
  • you would have installed
  • he/she/it would have installed
  • we would have installed
  • you would have installed
  • they would have installed

Conditionalis II

  • ik zou hebben benoemd
  • jij zou hebben benoemd
  • hij/zij/het zou hebben benoemd
  • wij zouden hebben benoemd
  • jullie zouden hebben benoemd
  • zij zouden hebben benoemd

Imperative

  • you install
  • you install

Imperatief

  • jij benoem
  • jullie benoemt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van install